Het diepe zuiden van Italië

Op 14 maart, 11:30 sharp, meert onze ferry aan in Bari. We hebben de tijd; we staan aan alle kanten klem. Anderhalf uur later rijden we gewapend met 3 paspoorten en álle coronapapierwerk de haven door, langs 2 loketten waar geüniformeerde havenbeambten ons met drukke gebaren manen door te rijden. Wellicht volgt verderop de controle… Voor we het in de gaten hebben rijden we in de stad; het totale gebrek aan controle verbijstert ons wederom.

De zon schijnt en het is 24 graden. Het is zondag en de laatste dag code geel in Apullië. Vandaag zijn de cafés, restaurantjes en terrassen nog open tot 18 uur en iedereen wil daarvan profiteren, wij ook! Fer rijdt, gelukkig; we zijn het echt niet meer gewend, al dat verkeer en die drukte op straat. Ten zuiden van Bari stappen we uit bij een plek met veel restaurantjes direct aan zee. We hebben honger en verheugen ons op een heerlijk etentje uit. Matroosje gaat uit z’n dak bij elke hond en kat die hij ziet… dat begint goed… De aangelijnde Italiaanse honden geven geen kik, staren hem aan met een verbaasde, hooghartige of onderzoekende blik. Hij trekt de aandacht van de volle terrassen en de kelners. “Nee, helaas…, nee, die lege tafels zijn riservato…“ We balen als een stekker, mopperen op Matroosje en smeren in onze snikhete Nugget een ciabata van de Lidl. Nu maar eerst naar het strand, onze draak laten uitrazen. Het is druk bij het rotsige zandstrand. Er liggen opengescheurde vuilniszakken; de wind en de honden doen de rest. Auto’s rijden af en aan en er staan enkele campers met Italiaans kenteken. Matroosje laat zich van zijn beste kant zien, alsof ie beseft dat ie iets goed te maken heeft.

Een jong, gemengd Italiaans/Frans stel die al 3 maanden in hun verbouwde VW-busje door Italië aan het trekken zijn, vraagt naar onze plannen. Zij hebben onlangs een boete gekregen van elk 500 € omdat ze zonder mondkapje naast elkaar in hun camper zaten terwijl ze niet gehuwd zijn… In Italië geldt onafhankelijk van de kleurcode dat je áltijd een meter afstand moet houden en dat je zowel binnen als buiten een mondkapje draagt, sport en solowandelen uitgesloten…

We rijden verder richting Villanova, waar er een pizzeria is. We parkeren de Big Nugget achter het kasteel bij de haven en wandelen het dorp door.  Op een bankje eten we ons eerste ijsje van Italiaanse bodem. “Bello, bellissimo!” zegt een jonge, mooi vrouw over onze ‘cane’. Het is 18 uur en de ‘paseando’ komt op gang, de tijd waarop de Italianen elkaar ontmoeten en over de boulevard flaneren; een gekkenhuis deze zondagavond. Die avond halen we pizza, heerlijke pizza della casa. Die nacht begint het te waaien en te regenen. We worden wakker in code rood.

Jac, een vriend van Fer uit zijn docentencarrière, Italiëganger en bewoner van een appartement in Matera, heeft ons een lijstje met ‘must-sees’ geappt. Matera ligt in de regio Basilicata en het gelukkige toeval wil dat Basilicata deze nacht van code rood naar code oranje is gekleurd. Dat betekent dat mensen weer de straat op mogen, niet-essentiële winkels open zijn, alles wat te maken heeft met cultuur nog dicht is en de horeca veroordeeld blijft tot afhalen en/of bezorgen. Reizen tussen regio’s blijft verboden zonder geldige reden. In de stromende regen rijden we richting oranje. Onderweg vangen we een glimp op van een enkele ‘trullo’*, verscholen achter olijfbomen. We passeren Taranto, de stad van twee zeeën, rijden Puglia uit, Basilicata in, en de carabinieri keurt ons geen blik waardig.

In de buurt van Matera wijst een camperservicebord naar links. Nieuwsgierig volgen we de aanwijzingen; wat een rust hier. We rijden de Masseria Radogna in, een oude boerderij in het Parco (delle Chiese Rupestri) della Murgia Materana. De masseria blijkt een camping en Dave en Rita lopen ons tegemoet, een Brits stel op leeftijd, ingepakt in dikke winterjassen. Er staat een gure noordoostenwind. Zij zijn de enige camperaars en staan hier al ruim 5 maanden. Ze moeten spijtig genoeg voor 1 april terug in Groot Brittanië zijn. “We hate the Brexiteers… bloody racisteers!” Dave vertelt ons waar we ons overal kunnen installeren en belt Paolo, de beheerder van het Parco, dat we eraan komen. We rijden door een open poort langs een onderkelderde boerderij van 2 verdiepingen hoog. Achter de boerderij staan 6 grote graven voorzien van zware, stenen kruisen. We installeren ons bij het kleine kapelletje, tussen de boerderij en een oud huisje dat tijdelijk dienst doet als receptie. Hier blijven we wel even plakken. Matroosje wordt gelijk vrienden met Virgula, de jonge teef van de beheerder. Ze spelen aldoor met elkaar. Eerst nog onschuldig, maar naarmate de week vordert probeert ie steeds vaker te copuleren met zijn mooie, jonge vriendin. Paolo ziet het en wordt terughoudend; Virgula blijkt loops en Matroosjes’ castratie is nog te vers…

Gewapend in skijas/zeiljas en dito muts wandelen we de 2,4 km naar Matera. De stad  is gebouwd op een van de plateaus van de Alta Murgia, aan de rand van een diepe kloof waar de rivier Murgia doorheen loopt. Matera is befaamd om zijn ‘sassi’, de ongezonde tufstenen grotwoningen die sinds het Neoliticum bewoond zijn. In de 8ste eeuw NC groeven monniken nieuwe grotten, vergrootten bestaande grotten en verbonden hier en daar een en ander. De grotkerken en -kloosters versierden zij met fresco’s waarin je de Byzantijnse invloed terugziet. Er zijn alleen al in de stad Matera 16 kerken en 11 rotskerken. In de 19de en 20ste eeuw worden de wijken een doolhof, met daken die dienst doen als straten en trappen. De verpauperde sassi waren overbevolkt door arme boerenarbeiders zonder land, en er heerste malaria.

Carlo Levi, arts en schilder, die in het naburige ‘badland’ Aliano in ballingschap zat, schreef eind jaren dertig zijn autobiografie over “dit gebied zonder troost of tederheid, waar de boeren in armoede leven en de dood alomtegenwoordig is”. Het literaire meesterwerk leidde tot de broodnodige politieke veranderingen: in de jaren 50 kregen de ‘grotbewoners’ een onderkomen in een van de nieuwe wijken van Matera. De Sassi werden gerenoveerd in de jaren 80 en staan sinds 1993 op de werelderfgoedlijst van Unesco. Tegenwoordig zijn er kunstenaarsateliers gevestigd, wonen er meer dan 2000 mensen en kan je je laten verwennen in een van de grothotels of -B&B’s. In 2019 was Matera de culturele hoofdstad van Europa.

We volgen smalle, kronkelige bergpaadjes tot we op het punt komen waar de afgrond gaapt. We genieten van het wonderschone uitzicht op de stad, haar kerken, pleinen, paleizen, sassi, steegjes, trapjes. We wandelen naar beneden en missen wéér onze wandelstokken; die hangen sinds ons vertrek uit NL nog keurig op hun plek achterin ons campertje. De Murgia stroomt mager en het is pas half maart… We kunnen naar de overkant via een lange hangbrug. Matroosje onderzoekt eerst wat andere mogelijkheden maar het stromende water is op plekken dieper dan zijn buik. Dan toch maar die enge brug, Fer achter hem… heel voorzichtig… pootje voor pootje… even stoppen, neeeeeeee niet terug… toch maar weer vooruit, oeh wat akelig… Met z’n tenen zo breed mogelijk gespreid bereikt ie vijf minuten later de overkant, zichtbaar opgelucht! We lopen het smalle pad omhoog, ik hijg als een werkpaard. 12 Minuten verder leiden brede trappen ons naar de Via Madonna delle Virtu, oftewel de Strada Panoramica dei Sassi, die als een boulevard langs de kloof zoomt. We bewonderen de Chiesa di San Pietro Caveoso, de enige sassikerk met een traditionele architectuur. We wandelen langs de Santa Maria d’Idris, een rotskerk uit de 10de-11de eeuw NC. We dolen door talloze steegjes en trappen omhoog en omlaag.

Op de piazza San Francesco gaat Matroosje uit z’n dak als ie een hond ziet. Het is het startsein voor agitatie tijdens de hele stadswandeling… We wandelen via de winkelstraat naar Piazza Vittorio Veneto met zijn Pallazzi de’ll Annunziata en de la Prefettura en de Chiesa San Domenico. We bewonderen de Palumbaro Lungo, een cisterne van 50 meter lang die 16 meter onder het Pza V. Veneto ligt en die overloopt in een ingenieus systeem van kanalen. De in 1991 ontdekte cisterne werd in de 16de eeuw NC aangelegd om de moderne stad die op Il Piano (De Vlakte) ontstond van water te voorzien. We lopen naar de TIM-winkel waar Fer een SIM-kaart koopt en ik buiten op de stoep wacht met een uitermate gestreste hond. Onze take-away-panini eten we onder de grote luifels van de mercato ortofrutticolo, schuilend voor de harde wind en kille regen. Het is gelukkig een kleine bui. We verdwalen in de Sasso Barisano, komen uit bij de kathedraal Madonna delle Virtù en pikken langs de boulevard weer het pad richting huis op. Matroosje is weer relaxt pfff… Het begint weer te regenen. Dikke, koude druppels. De wind striemt in ons gezicht. We schuilen in een grot, tot 2 keer toe, maar het wordt steeds later… Het schemert als we thuiskomen.

We wandelen dagelijks in het beschermde natuurpark, genieten van het uitzicht op Matera. Matroosje is hier duidelijk op zijn plek, snuift alle geurtjes op en markeert zijn territorium. We gaan op zoek naar de Chiese Rupestri die bijna allemaal ontoegankelijk zijn vanwege restauratie. Een enkele keer kunnen we door tralies piepen; een altaar, vervaagde kleurrijke fresco’s van de desbetreffende heilige kerknaamdrager en/of Santa Maria. Er wordt druk gewerkt aan een brede wandelroute met uitzichtpunten op Matera en ook het bezoekerscentrum wordt grondig verbouwd. Een rondpunt met bushalte is al aangelegd. Vrachtwagens rijden af en aan, tot grote vreugde van Matroosje die er luid blaffend achteraan rent.

Paolo geeft ons een rondleiding in de in limestone uitgegraven ruimte: het erf onder de open hemel en de gewelfde kelders onder de boerderij. De uitgegraven kalksteen is gebruikt om het huis te bouwen. De kelders dienden als onderkomen voor het vee. Er is een watercisterne en een ‘ijskelder’, een heel diep uitgegraven gat, een van de 11 ijskelders die Matera rijk blijkt. IJs werd destijds gebruikt voor medicinale doeleinden; anno 2021 zeggen vrouwen van 80-plus nog steeds dat je bij hoofdpijn ijs tegen je hoofd aan moet houden. Paolo vertelt ons van de vele films die in Matera zijn opgenomen. Een van de scènes van de Passion of Christ van Mel Gibson is hier op de boerderij opgenomen: het erf van Maria. Stille getuige is de (niet werkende) broodoven die ze er gebouwd hebben. Ook de graven achter de boerderij zijn nep; ze zijn gebouwd voor “No time to die’, een James Bond film starring Daniel Craig.

Vrijdag 19 maart is het feest van San Giuseppe en de verjaardag van Papa Francesco. Traditioneel worden er kampvuren gestookt, gezellig met vrienden en onder het genot van hapjes en drankjes. Paolo heeft ons uitgenodigd voor het kampvuur die avond, met Dave en Rita en wat vrienden, maar ‘s middags blaast de burgemeester het feest af wegens Corona. Jammer, maar de taartjes en pizzapunten die Paolo al gehaald had, smaken ons goed. Na 7 dagen Masseria Radogna willen we verder zuidwaarts trekken. Paolo vertelt ons van buitenlandse camperaars die door de carabinieri gemaand zijn richting thuisland te rijden. De derde golf is wellicht strenger dan de eerste twee… misschien redden we wel het zuiden maar mogen we de veerboot naar Sicilië niet op. We gaan het zien; onze coronareis is tot nog toe opvallend soepel verlopen. We nemen afscheid van Paolo. “Sei sempre il benvenuto qui!”

We volgen ‘de route van het door geulen doorsneden leemland’. De ‘calanchi’, karakteristiek voor het ruige zuidoosten van de regio Basilicata, zijn het gevolg van erosie door wegstromend regenwater en door de eeuwen heen ontstond een typisch badland-landschap. De gemeente Pisticci ligt verspreid over drie lemen heuvels omringd door diepe geulen en getekend door aardverschuivingen. We bezoeken de ‘nieuwe’ wijk Dirupo (letterlijk kloof), het historische stadsdeel dat in 1688 NC ingestort is en waar 400 mensen de dood vonden. De overgebleven inwoners weigerden te vertrekken dus is er bovenop de aardverschuiving een nieuwe stadswijk gebouwd met 200 identieke woningen. We gaan op zoek naar de Chiesa dell’Immacolata Concezion, dat op miraculeuze wijze als enige ongeschonden uit is gekomen. We vervolgen de route en rijden naar Craco.

Craco is gesticht in de 8ste VC op een heuvel boven het dal van de Salandrella. Het was ooit een welvarende plaats maar ging in de 21ste eeuw ten onder door natuurgeweld en menselijk handelen. De sanitaire aanpassingen verstoorden de structuur van de grond dusdanig dat een aardverschuiving in 1963 een groot deel van het dorp verwoestte. Na een aardbeving in de jaren ‘80 werden de laatste bewoners geëvacueerd. Craco werd een spookstad, met schapen, geiten, ezels en vogels als permanente bewoners. Instortingsgevaar ligt op de loer en je mag het dorp alleen bezoeken onder begeleiding van een deskundige gids. We lunchen op een plek met uitzicht op de spookstad als er carabinieri op het venster klopt. “Nee, we blijven niet slapen hier… na de lunch rijden we weer verder.”

We installeren ons op een heuvel, met uitzicht op de grillige groeven van de badlands. Op de vlaktes tussen de gerimpelde grijze heuvels is het groen, lentegroen. Zo’n 300 meter hogerop staat tussen de naaldbomen de sobere, romaanse Basilica di Santa Maria d’ Anglona uit 11 NC in de steigers. Op het portiek een reliëf van het paaslam. Het regent pijpenstelen. We besluiten een onderkomen te zoeken voor een week of twee; de stortbuien, in 6m2 leefruimte en een doornatte hond vinden we iets te veel van het goede. Dat blijkt een mission impossible in Corona-tijd…

In Tursi klimmen we omhoog naar de oude stad, Rabatana (Arabisch voor ‘stad’), in 9 NC gesticht door de Saracenen. In de bergwanden zien we holtes, al dan niet afgeschermd met deuren, stenen, golfplaten of anderszins. Vanaf de brug zien we enorme stutsteigers tegen de steile bergwand aangeklemd. Trappen omhoog. Tussen de vervallen gebouwen staan juweeltjes. Enkele zijn gerestaureerd en doen dienst als hotel en/of restaurant. Er wonen hier nog maar een tiental families, een enkeling heeft het inimini tuintje versierd met een bonte verzameling bloemen in potten. De brug is moeilijk terug te vinden in de wirwar van straatjes. De weg terug, naar beneden de nieuwe stad in, is echt een uitdaging. Het begint te regenen. De steile steegjes veranderen in een glijbaan. We steken af en raken de weg kwijt… Doornat, met een enkele slip en zonder valpartijen vinden we uiteindelijk de camper. We besluiten Alieni over te slaan, het dorp waar het huis van Carlo Levi staat en waar hij is begraven. We verlaten dit bijzondere en natte badland en steken meteen door naar Lago Sirino.

De roure naar Lago Sirino gaat via het Parco Nazionale del Pollino, de zuidelijke uitlopers van de Apennijnen. Het sneeuwt en het berglandschap kleurt wit. Het is prachtig en koud! Er is een keurige dorpscamperplaats met view in de buurt van een bar en een restaurant. De warme, dikke chocolademelk met huisgemaakte citroenkoekjes smaken ons goed en de afhaalpizza is heerlijk. Voor Matroosje is het de eerste keer in de sneeuw, althans daar gaan we van uit. Hij is even nieuwsgierig maar dat is het dan ook. De kou lijkt hem niet te deren. We wandelen naar de ‘Sorgenti del Lago Sorino’, de bronnen. Op verschillende plekken in het bos borrelt het water uit de bodem tot een grote plas water, de bosbodem duidelijk zichtbaar. De ondiepe plas gaat langzaam over in een stroompje dat uitkomt in het lago. Op het informatiebord lezen we over de talloze orchideeën die hier in dit bijzonder mooie stukje natuur groeien. Wij zien er geen een; ’t is nog te vroeg in ’t jaar.

Jac heeft ons een tip gegeven over een vakantiepark in Trecchina, en we moeten er ook echt gaan eten bij ‘La Lanterna Verde’. Het is droog, de zon schijnt, en we zien meer mensen buiten dan in de hele week ervoor. Het eethuis is gesloten. Op een km of 2 buiten het dorp, aan de doorgaande weg, staan in het bos kleine, identieke huisjes. Het geheel heeft iets weg van een kabouterdorp. Zullen we informeren bij de plaatselijke pizzeria? De buitentemperatuurmeter staat op 6°C… Nee, toch maar niet. Twee weken in de kou zien we niet zitten. Op naar de kust.

Aan de andere kant van de berg krijgen we een voorproefje van wat ons in de verte te wachten staat. Een indigoblauwe zee omringd door groene heuvels, een adembenemend uitzicht op de golf van Policastro. Wow, dit gaat helemaal goed komen! Hoe dichter we de kust naderen, hoe hoger de buitentemperatuur wordt. Het witte Jezusbeeld komt in ons oogveld; het gigantische Jezusbeeld dat, met de rug naar de zee gekeerd, boven op de heuvel San Bagio staat. We maken een ommetje langs de pastelkleurige huizen en kerken van het elegante  en beschermde Maratea, onzichtbaar vanaf de zee. Om de hoek liggen glooiende heuvels, zwarte rotsen en weelderig groen doorsneden door kabbelende kreken, en de Tyrreense kust van Basilicata. Het is prachtig hier! En 18°C! De stranden, beheerd en onbeheerd, schijnen pareltjes. We gaan op zoek naar Settiponti, volgens onze Michelingids volkomen ongerept en niet aangegeven en toch heel makkelijk bereikbaar. We volgen de aanwijzingen en als we vermoeden dat we moeten afslaan vertrouwen we de weg niet. Spiaggia Nera in Marina di Matera, een lieflijk strandje op loopafstand van het station, is makkelijk te vinden. Zwarte kiezel verscholen in een paradijselijke baai. De route zuidwaarts is een visuele traktatie en we komen ogen te kort. Tot Praia del Mare, waar we ons installeren op een parking tegenover de boulevard. We wandelen met Matroosje op het strand, ieder apart. Veel zwerfvuil hier… De wind waait hard, het zand schuurt onze gezichten. In de relatieve beschutting van een strookje zand met wat struweel naast de doorgaande weg houdt Matroosje zich bezig met de talrijke hagedissen. Het schiet niet op, maar alles beter dan een hond die uit zijn dak gaat.

Verder zuidwaarts langs de kust van Calabrië. De tegenstelling met de kust van Basilicata is groot. Nee, hier zit niet veel moois bij. We stoppen in Scogliero en lopen naar Punto di Cirella, een ruige, grillige rotspartij en archeologische vindplek. ‘Iers Calabria’, Grieks Maní in Madurodam. We dwalen door Diamante, een kustdorp befaamd om zijn artistieke muurschilderingen, de stranden en de cederappel*. We komen uit op de brede boulevard. Het is paseando-tijd en we laveren tussen de groepjes mannen, jongeren en vrouwen door. Slapen doen we op een aftandse parking aan het einde van de boulevard in Belvedère Marittimo. De belofte in de naam wordt niet waargemaakt, althans anno 2021, en het vuil in de straat en op het strand helpt niet. In het lelijke Cetraro is het tiet veur boodschappen en de was. We vullen water en diesel, legen grijs en zwart*, en zakken verder af naar beneden.

Vanaf de klif zien we Pizzo liggen, een voormalige havenstad, tot medio 19 NC de enige toegangspoort tot de zee in deze streek. En 25 km strand! Eenmaal voorbij Pizzo laat de Calabrische kust zich van haar mooiste kant zien. We installeren ons aan het spiaggia della Contura, een prachtig strand, wit zand. Matroosje vindt iets en het is onweerstaanbaar… Hij wordt acuut Oost-Indisch doof en loopt met volle bek de duinen in. In de bus gaat ie kokhalzen en in no time ligt zijn totale maaginhoud op de vloer: een  kale vogel ter grootte van een kleine kip, een slijmerige, stinkende homp vlees…  We wandelen naar Tropea, een stad met Romeinse wortels. Deze ‘Parel van de Tyrreense kust’ ligt bovenop een rots en na 162 traptreden geniet ik even van het uitzicht en raak de tel kwijt. We dolen door de lege stad vol indrukwekkende gebouwen en kerken, steegjes die uitkomen op pleinen, veelal met uitzicht. Op het eilandje tegenover Tropea staat de Chiesa di S. Maria dell’ Isola eenzaam op een rots; Byzantijns erfgoed hoog boven een lang zandstrand. We rijden naar Capo Vaticano en picknicken op het 3-sterren uitzichtpunt. Er is een jong Duits setje, dat met een peperdure overlander op pad is. Zij zijn een maand of drie onderweg en hebben net de zool ‘gedaan’. Ze hebben helemaal geen moeilijkheden gehad met carabinieri of anderszins. Ze delen de tip van een Italiaanse reiziger: géén Italiaans spreken en doen alsof je het niet verstaat, dan heb je geen discussie en geen last. Het gros van de carabinieri is laag opgeleid en spreekt alleen de moedertaal. Via een smal en moeilijk paadje, tussen zand en rotsen en struweel, doen we een retourtje strand. Het is al laat en we moeten nog een geschikte slaapplek vinden. Park4night wijst ons de weg: bij Palmi zijn er twee. We rijden door het megadrukke centro van Palmi en komen uit op een smalle weg die steil naar beneden overgaat in een dirt road. Hier voelen we allebei niks voor dus op naar nr. 2. Het wordt al donker en we moeten weer dwars door de zenuwslopende Italiaans spits. Twintig minuten later rijden we heuvelopwaarts tussen de pijnbomen naar de watertoren. Er staat een enorm kruis, zonder Jezus. De zon gaat onder en het uitzicht op Palmi en de Tyrreense zee is magnifiek. Het is stil hier, en donker, heel donker. Onze rondscharrelende donkere Matroos zien we alleen dankzij zijn knipperende fietslampje …

De Costa Viola, afgeleid van de purperen weerspiegelingen van de steile kust in het turkooisblauwe water, loopt van Palmi tot San Giovanni. De wow’s en oohhh’s volgen mekaar in rap tempo op en de fotostops worden een tikkeltje gevaarlijk. We zien Scilla al van verre liggen, sprookjesachtig, hoog boven de Tyrreense zee. De rots van Scilla verdeelt de stad in tweeën. In het midden ligt het centrale plein met gezellige barretjes en een grandioos uitzicht over de straat van Messina en de Eolische eilanden. De stad is legendarisch, beschreven in de Odyssee van Homerus. Ze dankt haar naam aan nimf Scylla die door Circe, een jaloerse heks, in een zeskoppig monster veranderd wordt en de reisgenoten van Odysseus verslindt. Het is een drukte van jewelste hier; het is marktdag. Covid-19? Code oranje? Teveel prikkels, we zijn het echt niet meer gewend.

We vertrekken naar San Giovanni, rijden meteen door naar de haven en worden tegengehouden door de ferrywachter. “Dove possiamo comprare i biglietti??” Hij wuift met zijn hand richting waar we vandaan komen. We rijden langzaam terug het stadje in, links en rechts zoekend naar een ticket office. Nergens ook maar een teken… Ik stap uit en stel mijn vraag in mijn beste Italiaans aan een slanke vrouw met vierkante zonnebril. Ze wijst naar een straat verderop en het enige dat ik zo snel kan verstaan is “autostrada”. Ik snap er niks van…  we willen alleen een ticket voor de veerboot… Ze ziet mijn vertwijfeling. Ze steekt 3 vingers omhoog en  wijst naar rechts en zegt dat we de 3de straat rechts moeten inslaan en daar voor een “negozio de giocatolli”, een speelgoedwinkel, moeten parkeren. Hoera, rechts staan de ticket-poorten! Maar vanaf hier kunnen we er niet komen… alleen via de autostrada… Die blijkt vlakbij. We rijden de snelweg op en we hoeven nu alleen nog maar de borden te volgen. 10 Minuten later kopen we ons ticket en rijden we het haventerrein op. Oei, nu staan er carabinieri… Ze zien ons en dat is het dan. Zonder problemen rijden we verder, de veerboot op. Buiten in de wind kijken we uit over de straat van Messina, daar waar de Tyrreense zee de Ionische kust. Verpopzakt kijken we mekaar aan; we zijn helemaal opgelucht dat we het hebben gered in code oranje! Sicilia, arriviamo!

*Een trullo is een funderings- en mortel-loos huisje in de vorm van een koepel, en bestaat uit opeengestapelde kalkstenen die rechtstreeks van het land geraapt zijn

*De cederappel wordt gebruikt bij de bereiding van parfum en frisdrank, en bij enkele joodse rituelen

*Grijs water is (af)waswater, zwart water zit in de sceptic tank

*Het gros van onze foto’s van het diepe zuiden van Italië zijn zoek, verdwenen, nergens anders meer te vinden dan op onze interne harde schijf… Maar de technische vooruitgang raast in een hoog tempo voort en wellicht volgen de mooie, in ons brein opgeslagen plaatjes in een van de komende decennia.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.