Categoriearchief: Travel

Πελοπόννησος δύο

We worden steeds slordiger met ons ‘Ordinary Movement Permit’; we vergeten het gewoon en tot nog toe is er niet één ziel die ernaar gevraagd heeft. De Grieken doen het met sms’jes. Opvallend veel Grieken lopen in trainingspak en sneakers; de schijn van buitensport om met elkaar af te spreken en niet gecontroleerd te worden op je permissie. Mondkapjes is ook zo’n ding, onder alle camperaars eigenlijk. In Griekenland is een mondkapje ook buitenshuis verplicht, maar binnen de ‘commune’ van de camperaars is dit ongewoon. En bij het houden van afstand krimpt de anderhalve meter te vaak tot een halve of nóg minder. Ook wij voelen ons blijkbaar veilig genoeg… we vergeten het gewoon…

Zuidwaarts, voorbij de badplaats Neápolis, willen we ons nestelen op het strand van Aspes. Olijfgaarden gaan over in ruwe kale bergen. Er staat hier en daar een huis in dit woeste landschap. Het laatste stukje is dirt road. Als gevolg van het barre weer ziet de weg er vreselijk uit en we stappen uit ter verkenning. Moet lukken als we hier zó en daar zó… Als we eenmaal bij het strand staan zijn we opgelucht. We staan alleen en Adonis vindt het helemaal geweldig. We baden in de golf van Lakonia en wandelen naar Fossil Forest, een stukje bijzondere kust aan de Kaap Malea. We hadden een groot bos verwacht, maar als we aankomen is het hele gebied zo’n 50m₂.

Heel lang geleden was dit gebied subtropisch. Na een vulkaanuitbarsting ontstond het fossiele bos, zo’n 2 miljoen jaren geleden. In de harde lavastroom zien we oeroude resten van schelpen en van palmbomen, grote ronde gaten in de lavaplaat. De golven klotsen eronder door, een galmend, bijna angstaanjagend geluid. We wandelen weer een uur terug naar huis en genieten van een biertje en van de prachtige zonsondergang als de telefoon gaat. Onze goede vrienden! “Noem hem maar Captain of Matroosje hahaha.” Het wordt Matroosje!

Via Paleokastro rijden we naar het strand bij Kato Glykourusi. Er staan 3 campers uit Groot Brittannië. We worden verwelkomd door een zwaarlijvige labrador, de verhouding lijf/kop is wanstaltig. Hij maakt Matroosje meteen duidelijk wie hier de dienst uitmaakt. Deze plek en dit strand valt in het niets bij waar wij al allemaal gestaan hebben, maar onze Britse buren vinden het fantastisch en staan er al 2 weken. Ron vertelt honderduit. Er heeft zich hier een drama afgespeeld horen we. De man van de Britse camper helemaal vooraan heeft een hartstilstand gehad en is ter plekke overleden. Hij is gecremeerd in Athene en hier, in de golf van Lakonia, uitgestrooid. Nu staat de camper er al 6 weken; de weduwe kan er niet mee rijden en hun zoon kan haar vanuit UK niet op komen halen vanwege de Covidcrisis aldaar…

We willen naar Μυστράς, volgens onze Michelingids een laat-Byzantijns juweeltje tegen een uitloper van het Taigetosgebergt. Mystrá, het ‘Griekse Florence’, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op kunstenaars, wetenschappers en filosofen. In 1460 kwamen de Ottomanen; de kerken werden moskeeën en de pasja ’s betrokken de paleizen. In de 17de eeuw telde de welvarende stad zo’n 42.000 inwoners en los van een Venetiaans intermezzo (1687-1715) bleef ze in handen van de Turken. De plunderingen en verwoestingen tijdens de Griekse vrijheidsoorlog in 1770 werden de stad fataal en het gros van de inwoners vertrok naar Sparta. In 1953 vertrokken de allerlaatste bewoners en Mystrá werd een spookstad, opgenomen in de Unesco Werelderfgoedlijst. Het ‘nieuwe’ Mystrá ligt lager op de heuvel en is een pittoresk plaatsje dat veel weg heeft van een knus wintersportdorpje. We parkeren bij de hoofdingang van de oude stad. Die is, zoals alles hier en in de (meeste) rest van de wereld, dicht vanwege Corona. Jammer!! Via de kronkelige openbare weg lopen we omhoog naar de kasteelingang en zien een glimp van de vroegere pracht en praal. Het loont de moeite om hier nog eens terug te keren!

We rijden door Sparta, de oude rivaal van Athene, nu de kalme hoofdstad van de provincie Laconië. Het huidige Sparta is gebouwd op de resten van de oude stad waarvan weinig overgebleven is. De oude Spartanen gaven niet om luxe en comfort noch om pracht en praal. Sparta was een aristocratische en militaire staat: orde en ongelijkheid, bikkelharde opvoeding; verantwoordelijk voor alle onheil tijdens de Peloponnesische Oorlogen. Hier was geen plaats voor zwakkeren of beperkten die de samenleving tot last zouden zijn; het gruwelijke verhaal van baby’s die in het ravijn gegooid werden, klopt… ‘Spartaans’ is ook nu nog een begrip evenals ‘laconiek’. Jawel, dat komt hier vandaan. De nieuwe stad met een strak stratenplan is medio 19de eeuw ontworpen door de bouwkundigen van koning Otto I, Habsburger, en dat zie je eraan af. We rijden de Kondanstinou Paleológou door, de grote boulevard met palmbomen en heel even wanen ons in Praag… Aan het begin ervan staat het standbeeld van koning Leonidas I van Sparta, die met zijn 301 Spartanen in Thermopylae heldhaftig ten onder gegaan is.

We zakken af naar de regio Maní en zetten ons kamp op bij Dimitrio Shipwreck, een prachtig stukje strand met een fotogeniek scheepswrak ten noorden van Githion. Er staan wat gezinnen met kinderen hier. Een Frans meisje met vrolijke ogen is helemaal gek op Matroosje. Matroosje is eerst een beetje bang maar wil dan wel spelen met Naïa. Heel bijzonder, dat kleine meiske dat niet bang is. Fer gaat met de relais bij de accu aan de gang. Na een paar uur proberen is het slechter dan het was… nu doen de lichten het niet meer… ook de remlichten niet… Ik had me verheugd op een fijne wandeling samen, het is warm, en in plaats daarvan zit ik met een chagrijn die nergens meer zin in heeft. 8 Uur sharp de volgende ochtend staat de oplader voor de deur; we gaan naar Sparta en hoe het afloopt kan je lezen in het stuk ‘Waar we de energie vandaan halen’. Tegen een uur of 16 zijn we terug bij het strand. Het is weekend en er zijn meer campers met nog meer kids bij gekomen. Het is ook druk met Grieken die profiteren van het prachtige weer. Matroosje kan nu echt niet los. Fer en ik lopen om en om met hem. Hij gaat regelmatig uit zijn dak en er is geen peil op te trekken wanneer ie wel en wanneer niet uitvalt naar auto, motor, fietser, jogger. Katten, honden, grondspul en verder alles met vleugels triggert. Wandelen is nu een uitermate stresserende activiteit. Ik spits mijn oren bij ieder geluid… hoor ik een motor?… oh neeeeeeeh, kippen!!!… Ik ben moe, sta stijf van de stress en ben even helemaal niet blij met Matroos. Zondagmiddag kom ik op het strand jonge hippies tegen, een leuk Duits-Nederlands setje met 2 kleine kinderen die Matroosje erg leuk vinden. We kletsen wat, over honden en Italië. Na 5 minuten gaat Matroosje zich vervelen en eist volledig de aandacht op. Hij springt fanatiek tegen me aan en hapt me daar waar hij bij kan. Een gesprek is niet meer mogelijk… Ik vind er helemaal niets meer aan, heb geen overwicht, weet niet hoe ik hem moet stoppen. Afduwen moedigt hem aan tot nóg fanatieker ‘spel’ en ik draai mijn rug naar hem toe. Hij blijft springen en bijt in mijn billen. Negeren Tien, negeren. Ik verontschuldig mij en wandel met hem verder zodat ie weer wat anders heeft om zich op te focussen. De gedachte nog 3 maanden zo verder te moeten gaan maakt me wanhopig… hij moet naar Gouda, en liefst NU! Maandagochtend ben ik vroeg wakker. Veel campers zijn aan het opbreken en de Grieken zijn weer aan het werk. We besluiten om samen Matroosje uit te laten, hij kan nu wel weer los op het strand, daar aan het einde, waar er een magere internetverbinding is. Ik heb het met Fer over een vliegticket voor Matroosje, maar daar wil ie niets van weten. Ik ben uitgeput, weet het niet meer. Ik moet mijn best doen niet te huilen. Terug bij de camperplek staan er nog 2 campers. Fer bindt Matroosje aan een tak van de denneboom en gaat de tafel dekken. Ik klets nog wat met de buurman, een kale, lange Duitser op leeftijd die op pad is met zijn stoere overlander. Hij kijkt naar Matroos en zegt dat we van die hond af moeten, dat ik er gespannen van raak, dat ik er geen plezier meer aan beleef… Hij heeft het over mijn ‘Urlaub’ als er politie het terrein op komt rijden. Ik spurt naar de Nugget om mijn mondkapje te pakken en waarschuw Fer. Matroos gaat nu als een gek tekeer met blaffen en happen en de agent houdt wijselijk afstand. Ze vragen of we wel permissie hebben om hier te staan. De Duitser komt met een keurig printje in een plastic mapje. De Zwitsers worden geroepen en die hebben ook zo’n mooie. Voor het eerst zien we onze buren met een mondkapje. Wij zijn helemaal vergeten onze handgeschreven verklaring bij te werken en als de agent ernaar vraagt zegt Fer dat we er net zo een als de buurman hebben. We zoeken in het handschoenenvakje, in de zijvakken, waar was ie nou… uiteindelijk vind Fer het papier, in vieren gevouwen en gekreukeld in mijn tas. Fer is nog bezig met de datum op het kladje aan te passen als we allemaal door de agenten naar hun auto worden geroepen. “Camping is not allowed… you must leave right now… if not you get a fine of 300 Euro…we will wait here till everyone is gone…”

We zitten op een bankje aan het water in Gíthio en eten een mega citroenbaklava. Ik moest huilen en toen hebben we samen gekeken naar vliegtickets en hoe en wat voor een hond. De grote kooi die met geen mogelijkheid in de camper past en waar ie 5 dagen in moet wennen, dat gaat niet lukken… daarbij opgeteld alle Covid-19-restricties en quarantaines… Enfin, we hebben het in ieder geval uitgezocht en nu wil ik alleen maar taartjes eten, mierzoete taartjes. We wandelen over een dijkje naar het eiland Kranaï, de plek waar Paris en Helena hun eerste nacht samen hebben doorgebracht alvorens naar Troje te vertrekken. Stonden er toen ook al dennen?

We rijden verder Maní in, de middelvinger, een ontstuimige streek. Maní was lange tijd een onafhankelijk gebied met eigen regels en staat bekend om haar versterkte torens. De oorspronkelijke Manioten waren een trots en lichtgeraakt volk. Eeuw in eeuw uit moordde het ene dorp het andere uit, een eindeloze vendetta om een stukje grond. Maniakaal… We installeren ons op de pier van Kotronas en wandelen het kleine dorp uit, de velden in. De lente is begonnen. Weinig torens hier, alleen eentje in de verte. De slachter is aan het werk en we horen het geblèr van een uit de wei geplukte geit… op de terugweg zien we haar aan de tak van een olijfboom hangen terwijl de slachter haar jas uittrekt. Ik vind het zielig en het is een naar gezicht, maar het is wel hoe het moet gaan. Het Crown Cafe bezorgt en om 19:00 sharp eten we zeer smakelijke hamburgers met friet!

We rijden naar Flomohóri waar de hoogste torens van Maní te vinden zijn. Het is een gehucht met een knus supermarktje. We hebben niks nodig maar ik wil toch wat kopen. Koek en kauwgum kan altijd! We rijden langs het indrukwekkende Éxo Nímfio, huizen en torens tegen de flank van de heuvel geplakt.

Voorbij het pittoreske Lágia slaan we linksaf: Kaap Tenaro, we komen eraan! Haarspelden. We worden getrakteerd op betoverende vergezichten op de baai van Marmári. We installeren ons in de baai van Pórto Kágio. Er staat een auto met caravan en we maken kennis met het relaxte Frans-Sloveense stel en hun 3 kinderen. Ze hebben 2 maanden bij een biodynamische boerderij gewerkt als work-away’er in ruil voor kost en verblijf, en zijn nu langzaamaan op weg terug naar hun huis in Tsjechië. Iets verderop in dit woeste landschap staat het tempeltje van Poseidon waar het altaartje vol ligt met armbandjes, schelpen, stenen en zoveel meer, geofferd in ruil voor een verhelderende droom. Ik leg er een hartjessteen, gevonden op het strand, en ik (ver)wacht nog steeds…

Matroos is veel rustiger nu hij los kan lopen, halleluja, maar hij luistert alleen wanneer het hem uitkomt… Geduld 10, bij Oetje heb je er 2 jaar over gedaan… Over de rotsen lopen we naar het strandje waar we in de in het groen verscholen ingang van de Grot van Hades piepen. Een piepkleine oase, dat zou je niet verwachten op weg naar de onderwereld. De wandeling naar de vuurtoren gaat over een smal bergpaadje tussen grote, ruwe keien en de door de verzengende zon gebarsten rotsen. Ruig, ruiger, ruigst.

Noordwaarts nu, richting Kalamata waar we een afspraak hebben met de huisdierendokter. Vanaf de weg bewonderen we de tientallen torens van Vathia, surealistisch in het desolate landschap. Verschillende torens zijn tot hotel getransformeerd. In de bizarre wetenschap dat er hier eeuwenlang slachtpartijen plaatsvonden vragen wij ons af wie hier… De hotels blijken gesloten, al in het precoroniale tijdperk. Wanneer we het kleine vissersdorp Geroliménas binnenrijden, lijkt het alsof we de woestijn achter ons gelaten hebben. Fer zoekt een plekje op Park4Night. Op naar Kato Mezapos beach, een ronde baai met een smalle doorgang naar de Messeense golf. We zijn net op tijd voor de prachtige zonsondergang. Er staat hier in dit piepkleine paradijsje nog een vrachtwagen met heel veel planten op de laadklep. De bewoners hebben we even gespot, jonge hippies met rastahaar en grote gaten in hun oorlellen. We hebben net gegeten als de buurman op het venster klopt. Mia is gevallen tijdens een ruzie en ligt op de grond te janken van de pijn en wil niets van hem weten… of wij kunnen helpen. Er staat een koude wind. Ik doe mijn skijack aan, grijp een zaklamp en volg Nadin, over het stenen strand, de rotsen op, via een smal paadje langs een ruïne, over het hek van het enige opgeknapte petit fort aan dit stukje kust. Het is pikkedonker en ik hoor Mia huilen, hard en luid. ‘Dit lijkt wel een setup’ flitst het door mijn hoofd. Nadin blijft staan en wijst naar voren. Ik loop naar het voorterras en in de schijn van mijn zaklamp zie ik haar liggen, kermend op de koude tegels. Op haar armen en benen prijken kleurrijke tattoos; ze heeft alleen een T-shirtje en een superkort broekje aan. Haar knie doet zeer, ze kan hem niet bewegen, en heeft het zóooooo koud. Het lukt mij om haar te kalmeren. “It’is not a fracture… anyway, you have to get out of here… there’s no other option.” Ik roep Nadin, we tillen haar omhoog. De wollen deken die Nadin om zijn schouders heeft, slaan we om haar heen. Nadin draagt haar, het hek over, het smalle pad en de rotsen af, het stenen strand over, het kleine trapje van hun woonwagen op, de smalle deur door en legt haar in het grote bovenbed. Op het onderbed liggen 2 honden en een kat. Warm worden nu. Ze is bang dat er iets in haar knie gebroken is en is heel verdrietig, verdrietig omdat Nadin haar helemaal alleen heeft gelaten daar op die koude tegels, zonder deken. Ik ga op zoek naar rekverband maar kan het niet vinden. Ibubrufen heb ik wel maar die wil ze niet. Ze zijn beiden veganistisch en hebben een afkeer van medicijnen. Als ze rustig is vertrek ik.”Knock on our door in case…”          We blijven hangen in dit kleine paradijsje. Het gehucht Kato Mezapos staat vol met oude ruïnes, hier en daar eentje opgeknapt als vakantiehuis. De gewone huizen zien er verwaarloosd uit. Hier wonen nog nauwelijks mensen. Boven op de klif prijken nieuwe vakantiehuizen hoog boven de zee. Fer heeft ideeën over de ruïne vastgebouwd aan het petit fort waar zich het drama van de vorige avond heeft afgespeeld, de enige plek met internetverbinding. Hij ziet het wel zitten, een huisje op deze eenzame, ruige plek aan zee. Maar de enige Griek die we hier spreken is een wappie en Trump-adept… We wandelen de bergen in, door olijfgaarden en langs plantages met vijgcactussen afgezet met een hoog hek. Als we terug willen zien we Matroos niet meer. Hij komt ook niet op het fluitje af. We besluiten gewoon terug te lopen; hij moet leren op óns te letten. Bij de splitsing twijfelen we. Fer gaat toch maar terug en ik wacht. Ik heb ondertussen wel 6 keer gefloten, op 4 vingers, een luide en schelle fluit. In de verte geblaf. Hij komt aanrennen en als ze beiden weer bij mij zijn tikt Matroos me aan. De hele weg terug houdt ie ons héél goed in de gaten.

Verder omhoog. De torens van Nómia en Kita staan aan weerszijde van de weg, in de 19de eeuw getuigen van de verwoestingen, moord en doodslag tussen de clans van 2 dorpen, een verbitterde strijd die 30 jaar lang duurde. We rijden door het pittoreske Pýrgos Dirou en maken een tussenstop in Aéropoli, de hoofdstad van Maní en de poort naar het vasteland. In Aéropoli riepen de Manioten in 1821 de onafhankelijkheidsoorlog uit. Het moderne plein doet ons denken aan een westernstadje. Het gaat naadloos over in de oude, gerenoveerde binnenstad met stoere torens en natuurstenen huizen met rode dakpannen.

De groene kustroute, die slingert tussen de kale uitlopers van het Taigetosgebergte en het blauwe water van de Messeense golf, doet ons genieten van fraaie vergezichten! Het landschap wordt groener, landelijker. Byzantijnse kapellen nemen de plaats in van de torens van de Manioten. We stoppen even in Lagkáda, Thalames, Plátsa. We rijden door de gezellige haven van Ágios Nikoláos en wandelen op het zandstrand van Stoupa. We ontmoeten er een Brits stel met een echt bijzondere (geruststellende) ervaring. Brian kreeg last van zijn coördinatie, klachten die in de richting van een hersentumor bij de hersenstam wijzen. Nader onderzoek in Tripoli wees uit dat het glomangioom was, een tumor van steuncellen van bloedvaten. Gelukkig goedaardig, maar het moet er wel snel uit… Vanwege de Covid-19, quarantaine en Brexit  besloot ie niet terug naar Engeland te willen, maar zich te laten opereren in Hygeia Hospital in Athene, dè kliniek voor neurochirurgie in Griekenland. Hij is geopereerd en moest er 5 dagen blijven. Ze zijn nu weer anderhalve maand op weg met de camper en nog steeds vol lof over het Hygeia; een reclamebord voor wie het maar horen wil.

In Kardamili staan we met 4 campers aan het stenen strand. Naïa is er ook weer, het Franse kleine meisje met de vrolijke ogen. dat niet bang is voor onze Matroos. Zij en zus Téhani spelen hele dagen op het strand, een plezier om te zien. Samen met ouders Moana en Florent  zijn ze al anderhalf jaar onderweg en bezitten niets anders dan hun camper. Moderne nomaden. Met z’n allen komen ze gezellig op de thee. De appelsienbaklava die ik de dag ervoor in de Cobb heb gezet, heb ik er niet op tijd uit gehaald. Jammer, maar gelukkig heb ik nog een chocoladegebakje, gekocht bij de banketbakker Aéropoli. We wandelen over het rotsenstrand waar de mensen van hier hun zout halen. We lopen door het dorp naar de stadswallen, klimmen naar de toren en bewonderen de spitse klokkentoren van de Ágios Spirídonas. Ineens is Matroosje weg… we splitsen om te zoeken. Ik vind hem, kluivend aan een groot bot. Als ik dichterbij kom, gromt hij heel laag… hier waag ik mij niet aan… maar ik heb geen zin om hier uren te staan wachten tot meneer klaar is met zijn sterrensnack. Ik fluit naar Fer… en dan vechten er 2 om een been… Fer wint, de bikkel, en Matroosje is een paar dagen op zijn hoede.

Om 8:50 uur staan we voor de deur van de dierenarts in Kalamata. Vandaag wordt Matroosje gecastreerd en we zijn allebei een beetje nerveus. Fer meldt dat we er zijn en we moeten wachten. Na een half uur komt er komt er een man naar buiten, met wankelend aan de riem, een kleine zwarte hond, type asemmer. Fer gaat na hem met Matroosje naar binnen. “Hij heeft Leishmania dus eerst maar een nierfunctietest; dat is belangrijk in verband met de anesthesie.” De nierfunctie is gelukkig goed en hij gaat onder het mes. “20 Minutes.” Wij drinken koffie en eten yoghurt met muesli, ons normale ontbijt. Het wachten duurt veel langer maar na zo’n 45 minuten krijgen we een seintje. Fer loopt naar buiten, Matroos piepend en duizelig aan de riem. Een pleister dekt de kleine wond af. “Hij is nog wat duizelig, dat gaat over – de eerste 6 uur geen eten en drinken – vandaag en morgen rustig aan doen – we hoeven niet terug voor de draadjes; die lossen vanzelf op.” Hij is heel zielig, ons Matroosje, en weet niet hoe ie het heeft. We brengen de was weg en kopen lekkere dingetjes voor hem.

We ‘doen’ de vierde vinger, het schiereiland van Methóni, een schiereiland dat volgens de legende door toedoen van prinses Messene bevolkt werd. Toen Messene trouwde met koningszoon Polykaon, haalde ze haar verse, strijdlustige echtgenoot over het schiereiland te veroveren en er te gaan wonen. Een goed idee, gezien de vele bronnen en rivieren die de streek rijk bleek. Zoals zovele Griekse streken kwam de vruchtbare vinger in Romeinse, Frankische, Venetiaanse, Turkse en Venetiaanse handen. Tot 29 oktober 1827. Toen werd de baai van Navarino het toneel van een van de grootste zeeslagen van de onafhankelijkheidsoorlog, met Engelse, Franse en Russische schepen in de hoofdrol. Griekenland was eindelijk vrij!

Onze eerste stop is Koróni, een stadje op een uitstekende rotspunt boven de zee. In de middeleeuwen was Koróni een belangrijke havenplaats. We rijden door de steile smalle straatjes van de oude stad naar de vesting. De rit omhoog is spannend. Wordt het nog smaller? Oeps, we hopen dat dit balkonnetje hoog genoeg hangt… Op een breed stukje dat lijkt op een parkeerplaats zet Fer de camper neer. We gaan te voet verder en stuiten op het kleine stukje naar de vesting 3 keer op een verbodsbord voor campers. Als je hier al doorheen komt, kun je met geen mogelijkheid nog keren… Via de indrukwekkende gotische poort wandelen we de vesting in. Er staan 2 huizen en wat kerken en een klooster binnen de muren. Aan de andere kant, bij het klooster van de Maagd Eleistra, loopt een pad naar het lange Zagazandstrand. We besluiten niet af te dalen maar op zoek te gaan naar een slaapplaats.

Tussen Koróni en Finikóunda vinden we een prachtige plek bij een eenzame kapel, op een klif, met uitzicht over de Ionische zee en de beboste heuvels. Bij het kerkje ziet Fer een waterslang gekronkeld in de bosjes liggen. Heerlijk! Weer een echt douchemoment! Matroosje vind het geweldig hier! Hij verkent de omgeving en vermaakt zich met zijn ruwe scheepstouw. Heel af en toe komt er een jeep voorbij, leeg of gevuld met levendige haven. Hij rent er luid blaffend achteraan, Oost-Indisch doof voor ons geroep en gefluit, soms zover dat we de jeep als een luciferdoosje in de bocht zien verdwijnen, gevolgd door een zwarte stip. We flaneren op het zandstrand in Finikóunda, een dorp dat aan de voet van wijnstokheuvels ligt. Het moet hier zwart van de badgasten zien in het hoogseizoen, nu staat alle horeca er verlaten bij.

We bezoeken Methóni, het brede zandstrand en de Venetiaanse vesting, een van de best bewaard gebleven forten in het hele Middellandse Zeegebied. De vesting is dicht maar we wandelen zover langs de enorme wallen tot we de bijzondere Bourdzitoren kunnen bewonderen, een achthoekige toren uit de 16de eeuw. We wandelen door de straatjes en trapjes van Pílos, een stad die als een amfitheater aan zee ligt en in 1829 gesticht werd door het Franse expeditieleger van Morea. Verder langs de historische baai van Navarino, op Golden Beach, zetten we ons kamp op. Achter het strand ligt de lagune van Gíalova (of Voidokylia), het brakke water dat een toevluchtsoord is voor meer dan 250 soorten vogels. Daarachter ligt de prachtige ronde baai van Voidokylia (Voïdolika), het punt vanwaar we begin december op weg gingen richting Pilion.

Er komt een koudefront aan dat over heel zuid Europa trekt. Aangezien Matroosje totaal geen last lijkt te hebben van zijn recente ingreep en het zuiden van Italië en Sicilië code geel kleurt, besluiten we om eind van de week al naar Bari af te reizen; Sicilië staat al járen op onze lijst. Dan moet er wel het een en ander uitgezocht en geregeld worden. Fer zoekt op wat de huidige coronatechnische eisen zijn. Dat is nog een discussiepuntje gezien onze ervaring met het totale gebrek aan controle hierop. Gaan we voor ‘transit’, dan is er geen PCR-test nodig. Blijven we langer dan 36 uur in Italië dan is een negatieve PCR-test niet ouder dan 72 uur verplicht. We besluiten ons te laten testen; de kans dat we besmet zijn met het gevreesde virus is minder dan 1 ‰, daar gaan we althans van uit, maar áls we in Italië Covid-19 krijgen dan kunnen we in ieder geval aantonen dat wij het níet geïmporteerd hebben. Nu nog uitzoeken waar je een commerciële test kan laten doen. In het Olympion Hospital in Patras kost het € 60 per test. Dat valt alleszins mee. Fer boekt voor zaterdag de ferry vanaf Patras, nu met hond, en maakt een afspraak bij Olympion voor vrijdag 18:00 uur. So far so good! Nu nog het health certificate voor Matroos.

We hebben nog wat dagen ‘te vullen’. We maken een ruk naar het strand van Katákolo, een badplaats ter hoogte van Olympia. Het valt een beetje tegen, het strand. Vijf opgeschoten jongens met 1 motor trekken om de beurt baantjes op de parking, hoe luider hoe beter, een oorverdovend lawaai. Matroosje wil erop af maar als we gaan wandelen gaat ie zonder trekken mee. Het kasteel van Chlemoútsi moet hier vlakbij zijn… voor Fer hoeft het niet; het is toch allemaal gesloten. “Joost en Anita hadden het over thermale baden aan de noordkust van de Peloponnesos. Dat moeten de Romeinse baden bij Loutra Kilíni zijn!” We stellen google maps in en verheugen ons op het warme, heilzame water. De weg erheen leidt door landbouwgebied en kleine dorpjes. We zien veel immigranten zijn in deze streek. Er staat een wegwijzer, we zijn op de goede weg. Voor we het in de gaten hebben zijn we er al voorbij… nergens meer een bordje te bekennen… Aan de linkerkant ligt een complex met witte gebouwen. Tijdens het kolonelsregime van 21 april 1967 tot 24 juli 1974 was dit een kuuroord; nu staat het er leeg en verlaten bij. Het enorme, 24/7 bewaakte hotel verderop ligt direct aan Golden Beach, een kilometers lang zandstrand. Dennen, duinen, zand en zee, een prachtige combinatie! Hier gaan we straks slapen! We rijden terug en bespeuren een vervallen prieel in het dennenbos, Romeinse bogen. Dit moet het dan zijn?? We parkeren op de kleine grintparking en gaan op verkenning. Dit is niet wat we ons ervan voorgesteld hadden. We lopen langs opgestapelde stenen (Romeinse ruïnes?), springen over dunne stroompjes thermaal water en met wat fantasie kunnen we 2 baden onderscheiden. Geen van twee ziet er aantrekkelijk uit: vol vuilnis, slijm, schuim… we kunnen ons niet voorstellen dat Anita en Joost hier gebadderd hebben. Er moet toch nog iets anders zijn… We wandelen het bospad af en stuiten op vergane glorie, art deco, een wow-gebouw met gewelfde koepels bij de entree en hoge, smalle ramen… dit is zo ontzettend jammer… We zijn het zoeken zat. Dan maar geen warm bad.

Fer belt met een dierenarts in Gastoúni. “Yes, he ’s got all required vaccinations.” “Yes, he is chipped and he has an European passport.” Een Health Certificate is volgens hem niet nodig maar als we het zeker willen weten, kunnen we even langs wippen met alle papieren. Dat willen we wel; we hadden van Nikos, dierenarts 1, begrepen dat een recente gezondheidsverklaring nodig is voor vertrek naar Italië en we hebben geen zin in gedoe.   We hebben geen aanvullende verklaring nodig volgens dierenarts 4, dus op naar Patras. Nog voor we wegrijden komen er 2 jongens naar onze bus om geld vragen; ze zien er  absoluut niet armoedig uit. Onze camper trekt ook nog een in rokken gehulde, zwaarlijvige vrouw aan, die recht op ons afloopt met opgehouden hand. Dit is voor het eerst in al die maanden…

We komen een uur te vroeg aan bij het Olympion hospital. Ik ga alvast even kijken waar we moeten zijn. Het is druk met mondkapjes. Ik vraag aan een kleine, gedrongen man bij de ingang of hier de commerciële PCR-testen worden gedaan en voor ik het weet heeft ie mijn temperatuur gemeten, moet ik mijn handen ontsmetten en maant ie me mee te lopen naar een tafel met gezondheidsverklaringen. “Invullen en achteraan in de rij voor de balie” maar dan in het Grieks. Ik heb gelukkig mijn tas met de paspoorten mee, dat scheelt weer uitleg en discussie bij de deur. Ik ben hier de enige buitenlander. De rij schiet niet op: het baliemeisje is tevens vraagbaak voor het andere personeel en doet ook de telefoon. Tegen de tijd dat ik aan de beurt ben, is de testrij danig geslonken. Ik ben er vrij snel doorheen en sta meteen vooraan voor de test. Ik bel Fer dat ie moet komen, en wel nu meteen. Het is best nog een eindje te voet en bovendien spannend om Matroosje alleen achter te laten in de camper, voor het eerst. De mensen voor mij komen er al uit… er komt iemand naar me toe en zegt in het Engels dat ik nog even moet wachten; een vrouw die net is aangekomen krijgt voorrang. “No problem!” Net als Fer binnen komt stuiteren, word ik geroepen. De gedrongen poortwachter roept Fer terug: temperaturen en invullen! Verwarring alom maar snel wordt duidelijk dat ie bij mij hoort. We lachen en de prikkers lachen mee. Ze vinden het leuk, 2 buitenlanders. Als we buiten staan is het 18:05. Perfect op tijd!

We hebben een afhaalmenuutje gepland en gaan er vanuit dat dat overal wel te krijgen is, zeker bij zo’n grote stad. Eerst maar de stad uit, het drukke en lawaaierige Patras, met zijn belangrijke haven en infrastructuur de derde grootste stad van Griekenland. Op zoek naar onze laatste slaapplek komt het idee van de ‘overkant’ oppoppen. We rijden wooooow de indrukwekkende brug over de Rio-Antirio over, met een spanwijdte van 2252 de op een na langste brug van de wereld. Pijlers van 210 m hoog, waarvan 150 m boven water. Gigantische schokbrekers maken hem bestand tegen aardbevingen tot 7,5 op de schaal van Richter! Er is weinig verkeer. Aan de overkant wacht er een verrassing, althans voor mij: het blijkt een tolbrug. Als we € 20,91 aftikken gaat de boom omhoog. Dat brengt ons op de duurste 2,5 km die we ooit gereden hebben… We besluiten linksaf te gaan. Dit is een totaal andere wereld. Wegen, dorpen, natuur, kust, alles ademt rust. We vinden een leuk plekje in Kato Basilici. Alles is dicht hier, potdicht. Het lijkt erop dat de uitvoering van restricties verschillen per regio…  We moeten het doen met wat we in huis hebben.

Samen met Matroosje maak ik nog een laatste wandeling op Griekse bodem. Op de klif, daar waar geen gevaar voor verkeer is, mag ie los. Heerlijk even, zo zonder hond aan de riem. De lange lijn heeft ie consequent kapot gebeten tot er nog maar 10 cm van over was en sindsdien moet ie het doen met de korte riem van wijlen ons Oetje. Hij luistert goed naar mijn fluitje, ook als ie aan de andere kant van de klif het strand op loopt. We lopen terug over de klif en ik geniet van het uitzicht. Ineens hoor ik hem piepen… hij staat een stuk hoger op de begroeide rots en durft niet meer terug… Ik baal een beetje, ik ben ook geen held op die steile rotsen, zeker daar waar geen geitenpaadje is. Ik hoef gelukkig niet helemaal naar boven; hij waagt het als ik 2 meter van hem af sta. Op de terugweg vindt ie een stuk bot. Ik heb helemaal geen zin in ruzie. Ik meld hem dat ik er vandoor ga en laat hem achter. Tot mijn grote verbazing komt ie eraan, nog voordat ik bij onze Nugget ben.

Terug naar Patras nemen we de ferry; dat is de helft goedkoper en tevens een mooi tochtje zo langs de brug. We willen nog wat inkopen doen bij een AB, daar hebben ze van die lekkere bakkaas. Het is zaterdagmiddag en een gekkenhuis. Als ik èrgens het gevreesde virus oploop is het hier wel. Hoezo Covid… We rijden het haventerrein op en schuiven meteen aan in de rij. Helemaal verkeerd, blijkt na een 43 minuten; we moeten een papieren ticket hebben… Fer blijft lang weg; hij moet heel veel papierwerk invullen. Niet alleen voor de ferry, maar ook voor binnenkomst in Italië. In de rij voor de douane voor de smokkelcontrole zien we Zwitserse Cat; zij neemt de boot naar Ancona. Als we zijn goed-gekeurd, mogen we inschepen. We zijn de enige camper tussen alleen maar vrachtwagens. Onze cabine heeft geen raam, jakkes, wat benauwd. Het dek op met Matroos. Hij kijkt zijn ogen uit, zo boven alles uit, op die grote boot. Hij is echt aandoenlijk, ons Matroosje. Poepen wil ie niet, plassen ook niet, tenminste niet boven op het hondendek. Beneden pist ie een eindeloze straal tegen een afdekzeil aan. Ik ben gewapend met een anderhalve literfles kraanwater en het is net genoeg om de gele plas weg te spoelen. Ook zijn kak houdt ie niet de hele reis op. Poepen doet ie de dag erop, enorme hoop, in 2 keer, midden in het zijgangpad buiten. Schepje, zakjes, water en poetsdoekjes, ik ben blij dat ik eraan gedacht heb!